Iris' Garden Ecology

Blog. Want een betere wereld begint in de eigen tuin!

Hoe bouw je een permacultuur gilde (deel 3)

No quick fixes here, sorry! Maar dit is wel het laatste deel. En hier wordt het praktischer; dit keer gaat het over planten ten opzichte van de zon, plantafstand, successiebeplanting en aanplantvolgorde.

Deel 1 ging over biotopen, het gebruik van planten die vaak samen groeien, planten met dezelfde eisen bij elkaar zetten en over wortelsystemen, die van invloed zijn op hoe de planten samengaan. In deel 2 besprak ik het gebruik van plantlagen, hoe je rekening houdt met de wijze van onderhoud en of het handiger is planten in groepen of verspreid te planten. De laatste drie punten die ik graag wil meegeven heb ik bewaard voor dit deel.

Planten ten opzichte van de zon

Ik zou het inmiddels als algemeen bekend willen beschouwen, maar ik herhaal het toch nog maar eens: zet de juiste plant op de juiste plek. Zoals ik in deel 1 al zei helpt het om daarbij te denken aan biotopen, maar binnen een biotoop heb je natuurlijk ook standplaats-variaties. De ene plant groeit liever in de schaduw van een andere die meer zon vraagt. Door te observeren hoe het licht van de zon over het jaar door de tuin beweegt en vanaf welke hoek kun je de beste plekken bepalen. Zo is het zuiden misschien niet altijd het meest zonnige gedeelte, bijvoorbeeld dankzij een gebouw of een boom. Zo ligt mijn achtertuin op het noord-noord-westen, maar vangt ondanks dat nog steeds veel zon en dan vooral in de middag, wanneer de stralen warmer zijn. Als je weet welke hoeken zonnig zijn en welke minder en vanwaar de zon komt, dan kun je planten neerzetten waar ze passen. En door hogere planten achterin te zetten en lagere planten voorin kun je in een kleine ruimte meer halen uit de zon die het krijgt.

Plantafstand

Één van de belangrijkste karakteristieken om rekening mee te houden als je planten samen zet is hoe veel (en welke) ruimte ze innemen. Het helpt om te weten hoe breed een plant wordt, zodat je planten op de juiste afstand van elkaar kunt zetten. Door daarnaast te kijken naar hun vorm en groeiwijze kun je de planten in lagen indelen en onder elkaar schuiven of elkaar laten overlappen. En als je rekening houdt met de wortelsystemen zoals ik in deel 1 noemde, dan weet je ongeveer wat ze aan ruimte ondergronds gebruiken en kun je die gelaagdheid ondergronds spiegelen. Dat is best een hoop om rekening mee te houden, maar wel heel goed om te voorkomen dat ze concurreren voor ruimte en licht.

Dan is het natuurlijk eerst handig om te weten: hoe kom je aan de vorm en breedte? De hoogte wordt vaak vermeld bij kwekers en tuincentra en een snelle internet-search is meestal voldoende om erachter te komen als je het niet weet. Gebruik voor het opzoeken op internet wel de botanische naam en details als de naam van de cultivar en/of onderstam, anders kan je de verkeerde informatie krijgen. Voor fruitbomen geënt op onderstammen kun je ook tabellen vinden op internet, hoewel het ter plekke vragen aan de verkoper het handigste is omdat het per soort en onderstam kan verschillen. Let er ook op dat er vaak een hoogte van een plant wordt genoemd na een aantal jaar, meestal 10 in het geval van heesters. Dat is niet per se hetzelfde als de volwassen hoogte. Een walnoot bijvoorbeeld kan na 10 jaar zo’n 8 m hoog zijn, maar de volwassen hoogte loopt op tot wel 30 meter. De breedte wordt soms genoemd en kun je via internet meestal wel achterhalen. Mocht dat niet lukken, dan gebruik ik zelf als vuistregel dat de plant even breed wordt als hoog – vooral veel kruidachtige planten en struiken worden vaak net iets minder breed dan hoog en dan schat ik de ruimte die ik ervoor nodig heb liever iets ruimer in dan krap. Natuurlijk werkt dit niet bij planten die juist heel hoog of breed uitgroeien; daarom is het handig om plaatjes van de plant te bekijken zodat je een idee hebt van zijn groeiwijze.

Als je weet hoe een plant groeit, dan heb ik een volgende tip: plant niet te dicht op elkaar. In mijn eigen tuin maakte ik deze fout met mijn appel en mijn mispel; ze zaten elkaar met hun takken in de weg, oogsten was daardoor moeilijk, ik kon voor onderhoud niet bij de achterkant komen en eronder was weinig ruimte voor iets anders dan bodembedekkers. Enkele jaren geleden hebben we daarom de mispel dan toch maar uitgegraven en een stukje verplaatst. De Britse Martin Crawford signaleerde dit als één van de meest gemaakte fouten bij voedselbossen en houdt daarom als maatstaf in zijn voedselbos 125% van de kroondiameter aan als afstand tussen bomen. Het voordeel daarvan is dat onderhoud gemakkelijker is en er meer licht tot de bodem doordringt, waardoor er grotere diversiteit in de onderlagen kan bestaan en er bijvoorbeeld ruimte is voor een kleinere boom of struik eronder. Natuurlijk kun je ervoor kiezen bomen of grote struiken dicht op elkaar te zetten, maar dan lever je wel daarop in. Met hetzelfde idee kun je naar iedere plantlaag kijken. Door kleinere struiken of groepen kruidachtigen iets verder te zetten van de volgende struik of groep dan pal ernaast, dan krijgt het meer licht en is ertussen ruimte voor bijvoorbeeld bodembedekkers of (zichzelf uitzaaiende) eenjarigen.

Dan is er nog het aantal planten per vierkante meter. Dit getal heeft vooral te maken met hoe snel je iets bedekt wilt hebben, niet per se met de (volwassen) breedte. Bij het advies-aantal raakt het betreffende oppervlak snel dichtgegroeid, dat wil zeggen meestal datzelfde jaar of het jaar erop. Als je met een budget zit en zeker als je weet wat de uiteindelijke breedte van een plant is, dan kun je ze zeker wat verder uit elkaar planten. Als je direct plant, zonder het eerst uit te tekenen – en je hebt nog weinig ervaring/oog voor afstanden – dan is het handig met aantallen per vierkante meter te werken en die vierkante meters met stokjes uit te zetten (op iedere meter of halve meter een prikker) zodat je een raster krijgt; dit kan ook met wit zand of touw. Op papier gebruik ik vaak een combinatie: ik zet de planten uit in een raster (bijvoorbeeld 7-9 stuks/m2), maar in cirkels met een diameter (op schaal natuurlijk) die overeen komt met hun volwassen breedte. Als ze verschillende lagen innemen dan schuif in ze wat in elkaar. Waar bodembedekkers zich tussen de groepen door moeten weven maak ik groepen van bijvoorbeeld 9 stuks/m2, maar laat ik wat meer ruimte tussen de groepen. Aan de andere kant, voor permacultuur-ontwerpen laat ik dat hele raster meestal gewoon los, want als je de groeiwijze boven- en ondergronds kent en in lagen plant dan heb je dat vaak niet eens nodig. De aantallen/vierkante meter werkt vooral goed bij bijvoorbeeld moestuinen of bloemborders, waar de planten grotendeels dezelfde ruimte innemen.

Tot slot: zoals je misschien gemerkt hebt aan mijn verhaal hierboven neem ik meestal niet de moeite van tevoren de precieze plekken van bodembedekkers te plannen. Natuurlijk bedenk ik welke soorten ik ongeveer waar wil hebben en houd ik er ruimte voor tussen de andere planten, maar omdat de meeste bodembedekkers uiteindelijk toch rondwandelen en hun eigen plekjes uitkiezen maakt het niet zo veel uit ik ze precies plant. De randen vooraan een border houd ik vaak open, zodat ik daar zonaanbiddende soorten kan planten – zo vormen ze een lage randbeplanting (geen overhangende planten op het pad of terras) en kunnen ze vanaf daar de border in kruipen. Ook laat ik het gedeelte rond de voet van een struik of boom vrij, meestal met ten minste 20 cm. In de buurt plant ik (schaduwminnende) bodembedekkers, die vanzelf de voet rond de boom bedekken zonder dat ik de wortels hoef te verstoren.

Successiebeplanting

In de PDC van Andrew Millison bij Oregon State University zeiden ze dit mooier dan dan dat ik het kan verwoorden: “What level of succession are you going to maintain?” Oftewel: welk moment in de successie ga je vasthouden met je gilde? Ga je bijvoorbeeld voor een pioniervegetatie (een moestuin bijvoorbeeld), een kruidvegetatie, een jonge struik/kruidvegetatie, een struweel, een jong bos? Een natuurlijke vegetatie is continue aan het veranderen; het groeit tot het volgende successiestadium of wordt (gedeeltelijk) teruggezet tot een jonger stadium. Zelden zie je een vegetatie die uit maar één type bestaat, behalve in aangeplante plekken zoals houtkapbossen. Een kruidachtige vegetatie heeft bijvoorbeeld nog pioniersoorten en tegelijkertijd de eerste jonge struiken, misschien zelfs al enkele zaailingen van bomen. Om het stadium te krijgen wat je wilt bereiken moet je misschien de successie wat terugzetten of juist versnellen. Om een stadium te behóuden is vervolgens onderhoud nodig.

Als je een gilde begint, dan zijn de meeste planten erin nog jong en klein. Een gilde rond een boom heeft daardoor de eerste jaren misschien veel zon, maar hoe groter en dichter de kroon groeit, hoe minder tot de lagen eronder doordringt. Ik gebruik zelf twee verschillende manieren om daar mee om te gaan. De eerste heb ik in mijn achtertuin toegepast, onder andere rond mijn mispel. Rond de mispel heb ik gelijk de uiteindelijke onderbeplanting aangeplant met voornamelijk halfschaduwliefhebbers, die zowel in de meer zonnige omstandigheden als de latere schaduwrijkere omstandigheden kunnen gedijen. In de gaten ertussen had ik zonaanbidders staan, die ik later heb verplaatst toen ze het minder naar de zin kregen. Dat werkte omdat ik als vaste planten soorten koos die vaak in een overgangsstadium groeien en daarmee in deze versie van een struweel pasten. De grond en omstandigheden waren al redelijk om mee te beginnen, dat scheelt een hoop.

De tweede manier heb ik juist in de voortuin gebruikt, waar ik de successie flink heb moeten versnellen omdat ik begon met droog, kaal zand. Eerst heb ik een tijdelijk gilde gebruikt (een bloemenweide-mengsel) om de bodem wat structuur te geven en het pionierstadium na te bootsen. Daarna heb ik een aantal van mijn uiteindelijke planten neergezet (heel klein toen nog), met tijdelijke soorten ertussen om de leegte op te vullen. Dat kunnen eenjarigen, kortlevende soorten, stikstoffixeerders (die je steeds terug maait) of soorten zijn die je later weghaalt en composteert (of verplant) – in mijn geval all of the above. Als je het slim doet, dan kun je ook daarvan oogsten en zo al vroeg een maaltje bij elkaar rapen, zelfs als de planten van je uiteindelijke beoogde gilde nog niets leveren. Na enkele jaren, toen de eenjarigen begonnen te verdwijnen, heb ik ook de tijdelijke soorten gemaaid en ter plekke op de bodem laten composteren. Daarna was de grond klaar om de rest van de uiteindelijke gilde-soorten in de vrijgekomen ruimten tussen de groter gegroeide blijvende planten te zetten. Door planten met verschillende leeftijden te gebruiken werk je alvast aan de volgende ronde, dat maakt een gilde duurzamer; een onderbegroeiing van jongere planten kan de functies van de oudere overnemen wanneer die doodgaan of gekapt worden, als je bijvoorbeeld jonge bomen als onderbegroeiing in je bosje hebt. Voor klanten vind ik dit alleen vaak net iets te veel gerommel; je moet je bestaande én beoogde gilde goed begrijpen om dit toe te passen. Daarom adviseer ik meestal eenjarigen tussen de jonge aanplant te zaaien; mijn favoriet is rode klaver, want die is eetbaar, bouwt de bodem op en verdwijnt vanzelf als de rest groter groeit.

Met onderhoud kun je een vegetatietype van een gevestigde gilde behouden of dynamisch maken. Als je jaarlijks het veld maait of de bomen en struiken snoeit, dan zet je de gilde iedere keer terug naar zijn beginstadium, waardoor het relatief hetzelfde blijft. Of je kunt over langere tijd ingrepen doen, die dan een groter effect hebben, zodat je gilde de tijd heeft steeds wat verder te groeien en dan weer opnieuw te beginnen. Stel: je hebt twee gildes, beide rond een hazelaar. De twee hazelaars blijven het meest productief als ze eens in de vijf tot zeven jaar volledig worden teruggezet. Het ene jaar doe je de ene, drie jaar later de andere (bijvoorbeeld, natuurlijk). Door ze zo flink terug te snoeien bereikt ineens veel meer licht de lagen eronder, waardoor je daar weer zonaanbidders kunt kweken. Door de twee gildes om en om zo terug te zetten kun je tegelijkertijd zonliefhebbende en schaduwminnende planten kweken én hazelnoten oogsten. Zo heb je meer diversiteit in je tuin en in je oogst.

Het helpt – vind ik – om te bedenken welke natuurlijke versies van verstoring optreden bij een bepaald vegetatietype. Een moestuin is bijvoorbeeld afhankelijk van continue verstoring, anders zullen meerjarige kruiden zich vestigen. Maar ook in struwelen en bossen treedt verstoring op, zoals het knappen van takken waardoor de planten eronder meer zon krijgen, of het omvallen van bomen, waardoor de grond verstoord raakt en pioniersoorten en jonge bomen een kans krijgen. Verstoring geeft een vegetatietype diversiteit, dat kun je in je voordeel gebruiken door het na te bootsen.

Aanplantvolgorde

Als laatste: wat plant je eerst? En maak je de bodem vrij of niet?

Er zijn verschillende manieren om een gilde aan te planten, die allemaal nuttig zijn in verschillende situaties. Het hangt vooral af bij wat je in- en uitgangssituaties zijn. Zo kun je planten tussen bestaande beplanting inplanten of eerst de bestaande beplanting maaien en deep-sheet mulchen. Mijn ervaring met grassen en onkruiden en dergelijke is dat ze vaak dusdanig sterk zijn dat ze nieuwe aanplant snel overwoekeren en mijn voorkeur gaat in zo’n geval uit naar deep-sheet mulchen. Dan nog kunnen ze door de mulch heen komen, maar zijn ze makkelijker te onderhouden en hebben ze niet zo’n grote voorsprong op de aangeplante soorten. Voor jonge, zelf opgekweekte planten is dit ook een goede manier om ze te neer te zetten.

Dan heb je nog de keuze: eerst de bomen en/of struiken aanplanten en de rest daarna of alles tegelijk. Dat laatste heeft als voordeel dat je minder kans hebt de wortels van de bomen en struiken te beschadigen bij het aanplanten van de rest en je bovendien makkelijker kan aanplanten. Maar soms is dat niet mogelijk of gewenst. Het nadeel van alles tegelijk planten is dat kruiden en eenjarigen vaak veel harder groeien dan struiken en bomen en ze kunnen overgroeien. Als je dus voor de eerste optie gaat, dan is het handig de bomen en struiken enkele jaren rust te geven voor je de rest aanplant, zodat ze goed kunnen aanslaan. Vooral bij (jonge) notenbomen, stekken en zelf opgekweekte zaailingen is dit handig om te doen, vanwege hun wortels die kwetsbaar zijn voor verstoring en concurrentie en hun langzame groei.

 


Meer lezen/weten

Ik hoop dat je van deze stukken genoten hebt (ongeacht hun – achteraf gezien – bizarre lengte; tja, er valt ook zo veel over te vertellen) en dat het je helpt om verder te komen met je eigen gildes te combineren. Mocht je meer willen lezen, dan kan ik je aanraden naar documentaires, video’s en boeken van Martin Crawford te zoeken. Die experimenteert veel in zijn voedselbos in de UK en de voorbeelden en ervaringen die hij daaruit put zijn zeker het bekijken waard. Verder heeft Bob Flowerdew meerdere boeken over companion planting, die voor moestuinders interessant zullen zijn. Geen quick fix dus, maar ja, uiteindelijk is het toch gewoon doen en uitproberen.

Advertenties

4 reacties op “Hoe bouw je een permacultuur gilde (deel 3)

  1. Pingback: Hoe bouw je een permacultuur gilde? (deel 1) | Iris' Garden Ecology

  2. Pingback: Hoe bouw je een permacultuur gilde (deel 2) | Iris' Garden Ecology

  3. lefabuleuxjardin
    22 november 2017

    Mooie reeks heb je hier weer neergepend. Toch even terug komen op die plantafstand, een heikel punt waar ik zelf nog altijd niet uit ben. Ik ervaar de gevolgen van het bij aanplant geen rekening houden met de volwassen grootte van bomen en struiken in eigen tuin die zo’n 30 jaar geleden werd aangelegd. De kerselaars bijvoorbeeld groeiden boven de omliggende laagstam appelaars uit en enkel de vogels kunnen nog bij de kersen. De schaduw die de kerselaars werpen op de onderliggende bessenstruiken zorgt ervoor dat er slechts een handjevol bessen kan geplukt worden. Crawford, Toensmeier en Jacke, ze waarschuwen er allemaal voor, en toch. Het oudste voedselbos in België is slechts 1800m² groot, middenin een stadje en telt maar liefst 2500 fruitbomen en 6000 variëteiten aan planten (Fraternité ouvrière de Moucron) Ze passen enkel zomersnoei toe en beletten op die manier dat de bomen te groot worden of elkaar in de weg staan, arbeidsinteniever dat wel en de productiviteit van de individuele bomen is waarschijnlijk wat inder dan wanneer ze meer ruimte zouden krijgen… maar het zet je als eetbare plantengeek wel aan het dromen

    • Iris Veltman
      25 november 2017

      Herkenbaar, ja. Het blijft moeilijk, ik reken daarom graag altijd met een grotere kroon en hoogte dan opgegeven wordt (bij mij worden dingen ook standaard groter dan dat ze theoretisch zouden moeten worden). Het is iets dat ik vaak verkeerd zie gaan bij gewone en bij permacultuurtuinen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: