Iris' Garden Ecology

Blog. Want een betere wereld begint in de eigen tuin!

Hoe bouw je een permacultuur gilde (deel 2)

Deel 2/3 focust vooral op het gebruik van lagen, hoe de wijze van onderhoud het ontwerp beïnvloed en de keuze voor groepen of individuele planten.

In deel 1 besprak ik het denken in biotopen, het gebruik van planten die vaak samen groeien, planten met dezelfde eisen bij elkaar zetten en had ik het over wortelsystemen. Achteraf bleek dat stuk ‘ietsje’ aan de lange kant redface (ah, story of my life) en omdat dit ongeveer net zo veel was en ik nog wat extra ideeën kreeg tijdens het schrijven worden het drie delen – met 2 en 3 niet meer zo ontzettend lang als 1 – hopelijk vinden jullie dat niet erg mrgreen

Plantlagen

Met het gevaar dat ik het ingewikkelder maak – door je nog meer keuze te geven – ga ik toch dit deel bespreken, of beter gezegd, de standaard-invulling ervan rechtstreeks met de tabellen in de prullenbak gooien.

Eerst zal ik het idee van de plantlagen in het kort uitleggen. Samen vormen die lagen de lagen van een bos. We identificeren vaak vijf tot zeven lagen, waarvan de invulling enigszins variabel is. Zelf houd ik deze 8 aan, omdat ik dat het makkelijkste vind om mee te werken:

  1. Hoge bomen, de ‘kroon’-laag
  2. Lage bomen
  3. Struiklaag
  4. Kruidlaag
  5. Bodembedekking (=dood organisch materiaal én bodembedekkende planten!)
  6. Wortelzone
  7. Klimplanten
  8. Schimmels

Het is goed om in lagen te denken (natuurlijker, meer diversiteit, productiever, etc), maar de valkuil bestaat dat je je erop blind staart. Mijn tip: neem het niet te letterlijk. Het lagen-denken bevat veel invullingen en mogelijkheden, die in mijn ervaring vaak over het hoofd worden gezien. Zie het als hulpmiddel, niet als geschreven regel. Dan kun je het toepassen waar en zoals dat het meest gunstige is voor wat je wilt bereiken. Maar wat bedoel ik daarmee?

Ten eerste bevatten vrijwel de meeste natuurlijke plantensystemen lagen, niet alleen bossen. Zo wordt bijvoorbeeld in het boek ‘Plannen en planten: een nieuw perspectief‘ door Piet Oudolf en Noel Kingsbury gesproken over de graslanden die Oudolf met zijn ontwerpen nabootst. Die zijn gelaagd alsof het een mini-bos betreft: hoge planten (de kroon), lagere planten, vullende planten en bodembedekkers – en Oudolf rekent de grassen als nóg een afzonderlijke laag. Met macrofotografie valt het me vaker op dat die laag die wij als ‘kruidlaag’ of ‘bodembedekking’ zien op zichzelf een heel miniatuur-landschap kan vormen, met vrijwel alle lagen die een bos in het groot bevat. Dus met welk vegetatietype je ook bezig bent – zij het een bos-, bloemen- of moestuin – denk in lagen, in het groot of op een kleiner niveau om natuurlijke systemen te imiteren. In alle gevallen verhoog je daarmee de ‘egde’, als in het permacultuurprincipe: ‘Use edges and value the margins’.

Ten tweede is de rol van een plant niet altijd dezelfde. Waaronder behoort een zomerlinde bijvoorbeeld? Met zijn volwassen hoogte van 40 m valt deze al snel onder de kroonlaag, maar dat hoeft niet. De linde kun je leiden, in een haag houden die geregeld gesnoeid wordt of je kunt hem eens in de paar jaar knotten (het Engelse coppicing en pollarding dekken de lading beter). Het voordeel is dat ze dan kleiner blijven, je de eetbare bladeren makkelijker kunt oogsten en het hout ervan kunt gebruiken. Ze verdragen ook nog eens flink wat schaduw. Op die manier kan een linde ook als kroonlaag in een kleine tuin gebruikt worden of zelfs in de lagere bomen- of struiklaag passen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor meidoorn en beuk. In mijn kleine tuinen ben ik al blij met mijn bescheiden bomen – dat is net zozeer een kroonlaag in mijn (struweel-)systeem als een grote in een bos. Jonge bomen beginnen vaak in een struweel of kruidvegetatie (de pioniers van de bosvegetatie) of in de schaduw van een bos (latere bos-soorten). De rode draad is: denk in de lagen waarin een plant van nature voorkomt – de meeste soorten maken verschillende successiestadia (en dus omstandigheden) mee.

De foto hieronder heb ik al eens eerder laten zien op dit blog, maar vond ik een mooi voorbeeld om hier nog eens2 te laten zien. De volgende generatie bomen wacht in de kruidlaag.

Een bos in wording

En ten derde: wat betreft biodiversiteit is het beter om die plantlagen niet overal gelijk uit te spreiden, dus niet homogeen verdeeld maar meer in groepjes en ‘klompjes’ of ‘plukjes’: niet onder iedere boom hoeft een kleinere boom en daaronder een struik enzovoorts. Op de ene plek wat meer struiken en op de andere een wat meer open onderbegroeiing vormt habitatmogelijkheden voor meer soorten dieren, want geeft variatie in structuur.

Wijze van onderhoud

Hoe je het gilde wilt onderhouden is een belangrijke vraag om jezelf bij het bedenken ervan te stellen. Hoe veel tijd wil/kun je eraan kwijt zijn? Moet het vooral zichzelf onderhouden of vind je het wel leuk er af en toe wat onderhoud aan te plegen? Wat wil je ervan oogsten? Voedsel of bijvoorbeeld ook hout? Hoe ga de je de bodemstructuur opbouwen en bemesten? Gaan dieren onderdeel uitmaken van het gilde (want een gilde is zeker niet beperkt tot planten of zelfs levende elementen)?

In het vorige deel had ik het al over planten combineren die in vergelijkbare biotopen groeien, zodat hun eisen voor omstandigheden overeen komen en je gerichter kunt bemesten met stikstof- of kaliumrijke materialen. Misschien kun je wel materiaal van een ander deel van de tuin gebruiken, zoals grasmaaisel en slib en/of planten uit de vijver (stikstofrijk, goed voor een moestuinbed met bladgroenten). Of kun je de kippen ’s winters de onkruiden uit je kale moestuinbedden laten plukken, terwijl ze tegelijkertijd bemesten en de grond klaarmaken voor planten met hun gekrab.

Dat idee kun je verder doortrekken door planten met ongeveer dezelfde verzorgingseisen bij elkaar te zetten in een gilde: stel je hebt een fruitboom, een struik, kruidachtigen en bodembedekkers bij elkaar staan, dan zou je jezelf werk besparen als je ze allemaal aan het einde van de winter kunt snoeien. Eerst maai je de kruidachtigen en bodembedekkers, dan is je pad naar de struik en boom vrij om die te snoeien. Heb je er voorjaarsbollen tussen staan, dan is het mooi als die juist daarna opkomen en zo vol in het zicht staan.

Aan de andere kant kun je ook je voordeel halen uit wisselende oogst- en groeimomenten. De lavendel in mijn voortuin snoei ik veel vaker dan de andere planten, zodat de rest meer ruimte krijgt en ik het snoeisel kan gebruiken waar de mulchlaag dun begint te worden. In een moestuin of een gecombineerd systeem zou je planten kunnen oogsten voordat andere soorten zo groot worden dat ze die ruimte nodig hebben. Een voorbeeld is courgette combineren met bijvoorbeeld sla, die je oogst voordat de courgette groter groeit.

Groepen of enkelingen?

Er zijn verschillende overwegingen om planten al dan niet in groepen te zetten. Bijvoorbeeld omdat ze dezelfde ruimte onder- en bovengronds innemen, concurreren om dezelfde voedingsstoffen en een grote groep sneller gevonden wordt door plaagdieren zou je ze het liefste zo veel mogelijk door elkaar zetten. Aan de andere kant heb je van sommige planten veel nodig (bepaalde groenten bijvoorbeeld), vind je ze beter terug en is oogsten makkelijker. Het voordeel van groepen is bovendien dat ze beter herkenbaar zijn, vooral als je nog niet zo heel goed bent in de planten herkennen. Als ik mijn man vraag eten uit de tuin te halen dan kan hij niets vinden, ook al is zo’n 80-90% eetbaar. Groepen zijn toch echt handig als je relatief onervaren bent en stiekem ook als je dat allang niet meer bent, al is het alleen al omdat je dan niet de enige bent die oogst wink

Wat ik zelf vaak als leidraad gebruik om planten al dan niet in groepen te zetten, is de manier waarop ze van nature voorkomen. Zo heb ik wilgenroosje in groepen in de tuin aangeplant, omdat deze standaard zo groeit (vanwege de rhizomen, hun wortels). Veel bodembedekkers spreiden zich uit tot hele tapijten en daarin laat ik ze vooral hun gang gaan; ik gebruik meestal maar twee tot drie soorten onder een gilde, tenzij het om een erg grote oppervlakte gaat. Veel soorten met penwortels, zoals wortels of pastinaken, spreiden zich meer uit over een vegetatie alsof ze daar gestrooid zijn. Bij uien wisselt dit nogal, sommige soorten vormen groepen (zoals daslook) en andere strooien zichzelf uit (zoals bieslook). Dit gedrag hangt met name af van de manier waarop planten zich vermeerderen. Planten met rhizomen vermeerderen zich vooral vegetatief, wat betekent dat ze zich steeds verder uitspreiden via hun wortels of met klauwen (zoals (bos)aardbeien) of door hun takken te buigen en op die plaatsen te wortelen. Slangenlook spreid zich bijvoorbeeld uit door broedbolletjes bovenop een lange stengel te maken, die doorbuigt zodat die broedbolletjes op een andere plek de bodem raken en daar nieuwe planten vormen. Andere soorten verspreiden zich vooral via zaad; soorten met licht zaad spreiden zich uit en soorten met zwaar zaad blijven meestal dichter in de buurt van de ouderplant. Dit soort informatie kun je gebruiken om je planten in een gilde te organiseren en te combineren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: