Iris' Garden Ecology

Blog. Want een betere wereld begint in de eigen tuin!

Bijzondere eetbare planten: wilde uien

Bieslook? Ik heb andere favorieten, die best wat meer in de schijnwerper mogen staan. Dus bij deze: 3,5 bijzondere eetbare planten voor de prijs van één (en het zijn allemaal vaste planten).

Ik kreeg afgelopen week de Groei&Bloei binnen en las op de voorkant dat er een stuk in zat over botanische uitjes. Goh, da’s leuk! Dus ik snel bladeren en zoeken in de index, tot ik het betreffende artikel gevonden had. Alleen – het ging over uitjes als in erop uit, ergens heen… Jammer! Ja, achteraf toch wel logisch, dit ís immers het jaar van de botanische tuin – maar toch, dat andere had ik leuker gevonden. Dus zodoende schrijf ik zo’n stukje dan maar zelf 😉

Ik heb niets tegen bieslook (Allium schoenoprasum), hoor – ik heb er zelf heel wat van staan in de voortuin (ze zaaien zichzelf er rijk uit en daar heb ik geen enkel probleem mee). Het is een plantje die inheems is in Nederland (hoewel redelijk zeldzaam), natuurlijk bekend is als keukenkruid maar ook prachtig bloeit in mei-juni. Eentje die erop lijkt en in het wild voorkomt in Midden Europa is trouwens muisjeslook (A. angulosum), ook met van die mooie paarse bollen op dezelfde tijd, alleen zijn die knotsen nog een stuk groter dan die van bieslook. In mijn voortuin staan ze nu beiden en die variatie in grootte van dezelfde bloemen is extra mooi – ik heb geen sieruien nodig. Beiden hebben eetbaar loof, dat een sterke uien-smaak heeft (als ik die van ons snijd dan gaan mijn ogen tranen zoals dat normaal bij gewone uien gebeurt). Ook de bloemen en bloemknoppen zijn eetbaar (smaken licht naar ui) en vooral lekker als garnering; daarvoor pluk ik alle bloemetjes van de bol en strooi die over het eten (brood, soep of salade bijvoorbeeld) of als ik de knoppen gebruik, dan houd ik kleintjes heel en snijdt grotere in stukjes. Het enige nadeel van deze twee planten is dat het loof na de bloei meestal lelijk wordt en minder geschikt om in de keuken te gebruiken. Door herhaaldelijk de bloemknoppen te oogsten verleng je de tijd dat het loof beschikbaar is. Ook de ondergrondse ‘uitjes’ zijn eetbaar.

Muisjeslook (de stelen zijn gekield)

Twee andere favorieten van mij zijn het berglook (A. carinatum) en slangenlook (A. scorodoprasum). Berglook (niet te verwarren met groot berglook, A. senescens – hoewel ook een decoratieve en eetbare soort) is een heel klein, lieflijk uitje dat in Nederland is ingeburgerd en zeer zeldzaam voorkomt. Ik gebruik het wel eens als strooiplant in mijn ontwerpen en krijg dan vaak te horen dat mensen er zo positief door verrast werden – echt een plantje dat je weinig ziet. Het is een juweeltje, dat kleine klusters van mini broedbolletjes maakt op een steeltje van zo’n 30 cm hoog. Als je die broedbolletjes niet oogst, dan ontspringt er uit de meeste een piepklein fuchsia/paars bloemetje aan een lange, hangende stengel, wat een heel bijzonder beeld geeft als ze bloeien (van juli t/m september). Slangenlook, oorspronkelijk inheems hier, is de grote en ietwat meer roodachtig-paarse neef met een zelfde soort bloeiwijze (alleen bloeit die in juni/juli). De broedbolletjes staan op stelen die kunnen variëren van 30 tot 100 cm. Van (bloeiende) slangenlook heb ik helaas nog geen foto – ik heb ze pas sinds dit jaar in mijn eigen tuin staan. Beide zouden niet misstaan in een siertuin, maar hebben eetbaar loof (dat dankzij de late bloei niet snel lelijk wordt en vaak na de bloei nog steeds bruikbaar is). De bloemetjes zijn eetbaar, de ondergrondse knolletjes ook. Maar waarvoor deze het meest handige zijn in de keuken zijn de broedbolletjes: als ze net verschijnen kun je ze oogsten en door ze tussen je handen te wrijven van elkaar losmaken. Bak of bereid ze alsof het gewoon mini-uitjes zijn. Wil je meer van die uitjes in de tuin, dan kun je de broedbolletjes ook planten, dan groeien ze uit tot nieuwe plantjes. Soms doen ze dat zelfs al op het steeltje.

Berglook

Mijn kweektips:

  • Bieslook, muisjeslook en berglook houden het meeste van een wat armere, zanderige grond, maar met name bieslook en muisjeslook doen het ook goed op meer voedselrijke plekken. Wel willen ze alle drie graag volle zon – hoewel een plek in de halfschaduw wordt verdragen door bieslook merk ik dat ze daar toch altijd minder goed groeien en vaak na enkele jaren verdwenen zijn.
  • Slangenlook houdt van meer voedselrijke en liefst meer vochthoudende grond, in de zon of in de halfschaduw.
  • Bieslook is prima te zaaien – pas dan wel op voor slakken want die vinden die jonge uienblaadjes vaak erg lekker.
  • Wat de andere soorten betreft: zaaien kan, maar is wel rottig werk (het zijn koudekiemers) en bij mij ten minste niet heel betrouwbaar, want dusver heb ik met geen van de wilde uiensoorten succes gehad. Makkelijker (en ook effectiever) is het om broedbolletjes of knolletjes te kopen en die op te kweken.
  • Voor oogsten van het loof raad ik aan tot het tweede groeijaar te wachten, zodat de planten kunnen ontwikkelen/aanslaan/sterk worden. Dan komen ze betrouwbaarder terug. De broedbolletjes kun je wel direct oogsten – dat is zelfs handig omdat de plant dan minder werk erin steekt.
  • Allemaal lijken ze als jong plantje maar enkele zielige sprietjes, maar hebben ze het naar hun zin, dan worden het binnen enkele jaren mooie volle kluitjes. Als je zaait, dun ze dan uit of als je knolletjes in de grond stopt, geef ze dan wat ruimte van elkaar.
Advertenties

2 reacties op “Bijzondere eetbare planten: wilde uien

  1. groengenot
    31 juli 2017

    Wat een interessant artikel weer! Ik ga alvast op zoek naar berglook en slangenlook!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: