Iris' Garden Ecology

Blog. Want een betere wereld begint in de eigen tuin!

Tuinverkenning – vóór je gaat ontwerpen/aanpassen

Voordat je een tuin gaat ontwerpen moet je de plek leren kennen. Dat is niet alleen belangrijk binnen permacultuur (observatie!) maar eigenlijk voor iedere tuin. Hoe meer je van tevoren kunt voorzien, hoe beter je ontwerp aansluit op de locatie en hoe meer problemen je kunt voorkomen. Waarop kun je letten? Hier een paar van mijn tips.

Even geleden was ik op een voedselbossen-congres, met allerlei lezingen en workshops. Als klap op de vuurpijl zou Mark Shepard aan het einde van de middag spreken (voor degenen die hem niet kennen: hij heeft een agrarisch permacultuur ‘voedselbos’ genaamd New Forest Farm in de USA). Het was november en koud buiten, maar ik kende de omgeving nog niet en stond te popelen die te verkennen. Met de lunch zag ik mijn kans: ik nam mijn eten mee naar buiten, weg van de drukte binnen en maakte rondjes door de aanliggende tuin. Er valt niet veel te beleven in november, zou je misschien denken, maar ik zag genoeg. Plantenresten die me vertelden wat er tijdens het groeiseizoen te zien is en de kale bomen en struiken tegen de donkere, regenachtige hemel, waarin allerlei vogels zich verscholen als ze me hoorden komen. Na een paar rondjes ging ik zitten op een bankje, vanwaar ik uitkeek op een grote vijver. Het was stil buiten, zo stil dat zelfs de vogels hun adem leken in te houden. De enige beweging kwam van een andere persoon na, de enige andere die daar buiten was, die ik soms door de kale takken heen over de paden erachter kon zien lopen. Eenmaal binnen ging ik zitten voor Mark Shepard zijn speech – en was verbaasd toen hij vertelde dat híj tijdens de lunch de omgeving had geobserveerd. Die ene andere persoon was grappig genoeg dus juist degene waarnaar ik kwam om te luisteren – en zijn belangrijkste tip was precies dat: ga naar buiten, verken je omgeving. En dat kon ik alleen maar onderschrijven. Inspiratie is overal om je heen. En zoals in permacultuur wel gezegd wordt: natuur is de beste leermeester.

Wat mij betreft is observatie altijd belangrijk, of je nou een ‘gewone’ tuin, een ecologische tuin, een biodiverse tuin, een eetbare tuin of een permacultuurtuin (punt 1 van de 12 ontwerpprincipes is niet voor niets ‘observe and interact’) wilt ontwerpen. Stiekem is het nuttig om het te blijven doen, ook als je ontwerp al jaren staat, maar voor deze blogpost richt ik me even puur op het ‘voor het ontwerp’-gedeelte, omdat dat nogal eens grotendeels wordt overgeslagen. Hoe meer je van tevoren weet, hoe beter je jouw ontwerp kunt laten aansluiten op je behoeften en de omgeving. En ook: hoe meer problemen je van tevoren kunt zien, hoe beter je daarop kunt inspelen nog voor ze zich voordoen – zo kun je heel wat teleurstellingen voorkomen. Bovendien kun je allerlei ideeën krijgen door te kijken naar je omgeving. Zo mimiek ik met mijn tuin de zandige duinen, zoals ze vlakbij mij voorkomen – die zijn perfect voor de zanderige grond in mijn tuin.

Dus waar let je op als je een (nieuw) stuk gaat verkennen? Ten eerste een opmerking: ik ben geen meester erin – na jaren observeren en leren valt er nog zo veel meer te verkennen dat ik denk dat ik het mijn hele leven blijf ontwikkelen, dat maakt het juist des te leuker. Maar ik ben inmiddels ook geen groentje meer, dus ik kan wel wat tips delen 😉

Patronen

Eigenlijk zoek je naar patronen – dat overkoepelt alle volgende punten. Wat zie je en wat kan dat jou vertellen over de plek?

Planten

Laat ik beginnen met planten – misschien niet de meest voor de hand liggende (of juist wel) en wellicht veel minder permanent dan de volgende punten, maar ook een belangrijke indicator daarvan. Dus vandaar: eerst planten.

Één – of beter gezegd, meerdere – veldgidsen zijn dus erg handig. Hoe vaker je het doet, hoe makkelijker en sneller je planten gaat herkennen. Zelfs in de winter, als alles kaal is, dan is het een mooie tijd om te oefenen met determineren: de bast en groeiwijze van bomen zijn op dat moment extra goed zichtbaar en bovendien bloeien veel ervan aan het einde.

Enkele van de vragen die ik mezelf stel als ik naar planten(-gemeenschappen) kijk zijn:

  • Kan ik zo veel mogelijk van de soorten determineren?
  • Welke planten groeien er bij elkaar en hoe?
  • Wat zegt dat over de omstandigheden (bodem, zonlicht, wind, warmte/koude en water)?
  • Welke dieren zouden hiervan gebruik kunnen maken?
  • Wat is er eetbaar/bruikbaar voor ons?

Als we een veld vol onkruid zien, dan zijn we al snel geneigd het allemaal weg te willen halen omdat het immers onkruid is. Maar veel soorten zijn eetbaar: misschien kun je ze eten en zo alvast een opbrengst krijgen uit de tuin. Misschien zitten er zaden in, die worden gegeten door vogels. En waarom groeien ze precies daar? Veel onkruiden zeggen iets over de omstandigheden. Of, als het een tuin is met aangeplante planten (of die van de buren!) – hoe doen de planten het daar? Welke soorten doen het schijnbaar goed in de omgeving? En welke minder?

Een voorbeeld is een grasveld. Op het eerste gezicht denk je: grasveld, boeiend, ik kwak er iets anders neer. Zo was de ‘pluktuin’ in Alkmaar waarvoor ik een ontwerp maakte op het eerste gezicht een grasveld. Maar eenmaal rondlopend, met mijn neus op mijn voeten gericht, kwam ik toch heel wat tegen wat me hielp het ontwerp te maken:

Ever so small, but not insignificant: dit is de beruchte berenklauw. Groeit meestal op relatief vochtige plekken. Dit was voor mij een alarmbel: zodra er gestopt wordt met maaien zullen deze planten omhoog schieten als… nou ja, berenklauwen. En dat is niet wenselijk op deze plek, het zou het ontwerp, het draagvlak vanuit de omgeving én het enthousiasme van de vrijwilligers die de tuin gaan onderhouden ondermijnen. Dus moest ik hierop inspelen in de (wijze van de aanleg van) het ontwerp.

Klaver kwam ik regelmatig tegen in het gras en die duidt op slechte bodemopbouw en relatief weinig stikstof.

Nog zo’n heads-up van tevoren: riet. Het gaat hier duidelijk om een vochtige plek, met berenklauw en riet. De waterstanden bevestigden mijn vermoeden toen ik deze planten zag. Bovendien kan riet flink woekeren en als het maaien stopt, dan zal ook deze plant zich verder over de plek willen verspreiden. Daarom plaatste ik verschillende elementen die konden dienen als barrières in het ontwerp (zoals een gereedschapshok) langs deze rand: tot hier en niet verder, zeg maar.

Een hele andere plek (de Utrechtse Heuvelrug), maar ook een interessante observatie:

Dit is duidelijk een bos aangeplant voor de houtkap: de bomen zijn allemaal even oud, dezelfde soort én ze staan erg dicht op elkaar. In een natuurlijk bos zul je dit niet zomaar zien.

Zon, wind, water en microklimaten

Het is allemaal met elkaar verweven, vandaar dat ik deze niet van elkaar kon scheiden. Waar komen zon, wind en water vandaan? Voor de beste plek voor het terras, de appelboom, het kruidentuintje, de hortensia, is het belangrijk zo goed mogelijk in kaart of in je hoofd te krijgen hoe zon, wind en water zich over de tuin bewegen en welke microklimaten zich er voordoen. Zo heb ik voor mijn eigen tuin eerst een jaar lang alleen maar geobserveerd, voordat ik met het ontwerp kwam. Ik ontdekte welke struiken ik beter kon behouden vanwege de dieren die ze bezochten, welke onkruiden er opkwamen, hoe de zon zich jaarrond verplaatste. Mijn achtertuin is gelegen op noord/west en op het eerste gezicht zou je daarom niet zeggen dat het een zonnige tuin is, maar dat bleek van wel. De heetste plek ligt niet in niet de voortuin op het zuidoosten – die wellicht de meeste zon krijgt – maar in het noordwest punt in mijn achtertuin, want de middagzon is heter dan de ochtendzon. Daar groeien nu o.a. enkele niet volledig winterharde planten, een vijg en twee druiven – mijn voortuin zou te winderig en open zijn. Het is daar zelfs zomers zo warm, dat ik de vijg en druiven over de zitplek heen laat groeien (daar komt de foto bovenaan deze post vandaan) zodat het er op de bank ook nu nog lekker vertoeven is. Mijn appelboom staat op een plek waar hij precies genoeg zonlicht krijgt voor goede groei en vruchtrijping – iets naar het huis toe zou hij te weinig zon krijgen en een kort groeiseizoen hebben, iets verder van het huis af zou hij een warme plek hebben die ik nodig heb voor andere, meer warmteminnende planten. Die observatie kon ik zo goed maken door meermaals per jaar op de klok af te lezen hoe laat de zon het stuk bereikte. Een hele andere: de voortuin loopt heel licht af en water stroomt dus makkelijk weg naar de straat, terwijl het hele droge zandgrond is. Door hele lichte terrassering aan te brengen (denk aan de rijstvelden: sawa’s) blijft het water lang genoeg staan om goed in plaats daarvan te infiltreren. Nog een belangrijk gevolg van mijn observaties zijn de windvangers: stroken van struiken langs de westkant van mijn (m.n.) voor- en achtertuin om de harde kustwinden af te zwakken.

Zo is het tijdens of net na heftige regenval juist interessant om naar buiten te gaan, zodat je kunt zien waar plasvorming optreedt, waar zich stromen vormen en hoe het water zich in je omgeving beweegt. Of op winderige dagen de buurt verkennen, zodat je ziet welke delen en welke planten hier veel hinder van ondervinden.

Enkele voorbeelden:

Een struik getekend door de wind – hij groeit van de wind af.

Nog zo eentje, extra opvallend in de duinen.

Hier: een pad loopt met de helling mee een heidevallei in. Water zal tijdens regenbuien de minste weerstand kiezen en dus grotendeels via dit pad tot een flinke stroom aanzwellen en zo de vallei inkomen. Daardoor is erosie opgetreden, zodat het pad oneffen geworden is.

Nog een keer dat pad met erosie, nu van bovenaf van de andere kant, zodat je beter de groeven ziet die het water hierin steeds dieper uit zal slijten.

Nog een mooi voorbeeld van waterstromen en erosie. Hier zie je goed hoe het water stroomt; waar het snel wegloopt (de lichte, zanderige delen – dit is zwaar en wordt dus niet zo snel meegevoerd) en waar het water zich in een plas verzamelt (de donkere plek linksonder – omdat het water hier vertraagt zet het deeltjes af die het eerder heeft opgepikt, zoals de donkere, humusrijke aarde die hier extra geconcentreerd is).

Een mooi voorbeeld van het effect van koude, wind en zon op microklimaten vond ik ook op de plek van de pluktuin in Alkmaar – kijk of je hem kunt spotten:

De donkere, schaduwrijke bos- en boomkant die hier aan de zijkant zichtbaar is, is het zuiden van de tuin. Maar op deze foto, genomen in de middag op een zonnige dag in de winter, is daar een strook witte rijp te zien. Ondanks dat dit het zuidelijke punt van de plek is, voorkomt het struweel ernaast dat de zon dit bereikt, waardoor de rijp daar niet weggesmolten is onder de zon. Koude lucht waait uit het noordoosten de tuin op en blijft voor het struweel hangen, waardoor hier een koude vorstzak ontstaat. Zuid, maar dus geen goede plek voor mediterraanse planten.

Bodem

Tuiniers hoef ik het vast niet te vertellen: ken je bodem. Daarvoor hoef je niet per se uitgebreide tests te doen: de aanwezige planten, voelen en tussen je handen rollen, de ‘soil jar test’ (zie foto hieronder) en zo mogelijk een pH (zuurgraad) -test, zeggen al heel wat over de samenstelling, die veel invloed zal hebben op de planten die je kiest. De juiste plant op de juiste plaats. Je kunt jaarlijks nieuwe aarde toevoegen, sterk bemesten, organisch materiaal inbrengen en kalk strooien, maar als je planten niet van de grondsoort houden dan zal het heel veel werk kosten om ze te onderhouden. Wat ik zelf nog een belangrijk element vind is de geschiedenis van het gebruik en beheer. Een eetbare tuin maken op een oud bollenveld of waar eens een pompstation stond is bijvoorbeeld sterk af te raden vanwege een verontreinigde bodem. Door op internet te zoeken kom je vaak nog wel wat documenten met bodeminformatie tegen, hoewel de locatie en de inhoud erg verschilt per gemeente. Maar ook het oude of huidige beheer is handig om te weten: is het nu een grasveld, dan zal het organisch gehalte in de bodem waarschijnlijk laag zijn en relatief arm – hoewel stikstof nog wel eens flink hoog kan zijn. Was de tuinier voor je een ecologische tuinier, een natuurtuinier of een fervente sproeier? Allemaal handige informatie.

Soil jar test – opvallend genoeg was dit monster 100% leem, wat duidelijk werd toen ik het tussen mijn vingers wreef en hoewel het op het eerste gezicht er kleiachtig uitzag, het korrelig bleek te zijn (klei is niet korrelig). Zo’n situatie zul je niet snel tegenkomen, het is vrijwel altijd een mengsel van bijvoorbeeld zand en leem of leem en klei of alle drie.

Dieren

Tot slot voor deze post: dieren. Welke dieren zie je, hoor je, ruik je, welke sporen zie je in de omgeving?

Eendenpoep.

Konijnenpoep – mee-eters in de buurt!

Het loont om te weten welke dieren in je tuin en in de omgeving voorkomen. Zo kun je van tevoren plannen maken om soorten aan te trekken – of natuurlijk juist af te stoten. Zo kijk ik o.a naar wat voor soorten landschap er in de buurt voorkomen en probeer ontwerpen en beplanting daarop aan te laten sluiten. Als er bijvoorbeeld bosachtig gebied in de omgeving is, dan heb je meer kans dat er bepaalde vlindersoorten in de buurt zitten die daar gebruik van maken en dan kun je specifieker planten neerzetten en maak je meer kans om ze te lokken. Zijn er weinig bloeiende planten in de buurt, dan kun je in hun behoeften voorzien door je te richten op nectarplanten. Of je richt je juist op uitbreiding van hun habitat door meer van hun waardplanten aan te planten. Woon je in de stad, maar heb je een park in de buurt of allemaal kleine plekjes groen in de omgeving, dan heb je best kans om een egel te trekken. Je omgeving bepaalt grotendeels wat voor soorten op jouw tuin af kunnen komen en door te weten welke soorten dat zijn kun je je tuin beter inrichten om ze te trekken. Zoals ik al zei, ik heb in mijn eigen tuin wat van de vegetatie uit de nabij gelegen duinen nageaapt. En vooral begin mei zat het dan ook vol met witbaardzandbijen, die meestal niet zo vaak in de stad voorkomen maar wel in de duinen.

Vraatsporen – mee-eters!

Een wildpad (of in dit geval meer een tunnel) door het riet: dit is een route om de tuin binnen te komen van één of meerdere diersoorten.

Zoals je ziet zijn er meer sporen dan alleen het bewuste dier of zijn poep tegen het lijf lopen. Ik heb voor mezelf enkele boeken over spoorzoeken aangeschaft en probeer dat ook te oefenen als ik aan het wandelen ben – dat is zeker een tip om je observaties te verbeteren.

Menselijke routes

Vergeet ook niet naar de huidige beweegpatronen te kijken van mensen op de plek. Waar ga je het liefste zitten, hoe loop je van A naar B? Soms kunnen die gewoontes moeilijk te veranderen zijn (denk olifantenpaadjes) en moet je dat ook altijd willen? Ik ga het snelste vlakbij mijn huis buiten zitten – het is gewoonweg een fijne plek (dat viel me al op tijdens de observatieperiode) en het is ook omdat ik dan stomweg minder hoef te zeulen met spullen. Als ik alleen achterin kon zitten, dan zou ik er toch vaker vanaf zien omdat ik geen zin heb in dat gedoe. Toch zie ik regelmatig het advies voorbij komen dat je een terras niet pal bij de achterdeur moet zetten, omdat je dan op de stoelen en tafels uitkijkt in plaats van op de tuin. Maar voor mij is die reden niet goed genoeg om die plek niet als dusdanig te benutten – zo storend vind ik mijn tafel daar niet. Het is nou eenmaal gemak, daarom situeer je het liefste elementen die je veel gebruikt zo dicht mogelijk bij waar je het meeste bent. Denk ook aan het pad naar het huis vanaf de straat, afval- en compostbakken, houtopslag, de schuur – op een druilerige, koude winterse dag heb je geen zin om je over een eindeloos pad te bewegen. Wil je juist bepaalde routes voorkomen? Weet dan dat gewoontes moeilijk veranderen – tenzij je er een grove prikkelstruik tussen zet twisted


Ik hoop dat je het leuk vond dit te lezen en een aantal ideeën hebt opgedaan – en vooral dat je nu nog meer in je omgeving ziet dan je al deed, dat zou helemaal mooi zijn 😉

Advertenties

4 reacties op “Tuinverkenning – vóór je gaat ontwerpen/aanpassen

  1. Prachtig,
    Wat vindt U van het stadsplan om de Grote Markt in Tienen in het groen te zetten?
    Ook de reacties van mensen van buiten Tienen zijn welkom en U als tuinspecialist….
    Hier de link naar het plan https://groetenuittienen.blog/2627-2/

    Vriendelijke Tuingroet
    Theo

    • Iris Veltman
      14 juni 2017

      Hoi Theo,
      Ik heb op dit moment geen tijd, maar ik zal er binnenkort zeker eens uitgebreid naar kijken.

  2. groengenot
    15 juni 2017

    Weer boeiend om te lezen, Iris! Ik heb al veel geleerd van jouw blog!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 14 juni 2017 door in Algemeen, Permacultuur en voedselbossen en getagd als , , , , , , , .
%d bloggers liken dit: