Vraag van een volger (anoniem): “Hoe krijg ik bladluizen op een natuurvriendelijke manier weg?”
Goede vraag – deze krijg ik vaak, en vooral in deze tijd van het jaar 😉
Eerst even dit: bladluizen zijn niet per se een probleem. Een gezonde plant kan meestal prima tegen wat bladluis – het hoort er zelfs bij. Als jij ze vervolgens weghaalt hebben roofdieren (zoals lieveheersbeestjes) geen eten en komen ze ook niet naar je tuin. Haal bladluizen dus niet gelijk weg. Houd wel een oogje op ze. Gaan de blaadjes hangen, krijgen ze (zwarte) schimmel of vallen ze af? Dan kun je ingrijpen.
Zet een (stevige) waterstraal op de bladluizen. Zeepsop en gier zijn niet nodig (zeep sowieso liever niet), je hebt bovendien kans dat je daarmee andere dieren kapot maakt. Een waterstraal spoelt bladluizen van hun plek, maar doodt de meeste niet. Ze moeten dan weer terug klimmen naar hun plekjes, wat jouw plant tijd geeft om op adem te komen en aan zijn verweer te werken. De bladluizen blijven zo beschikbaar voor roofinsecten en die krijg je op deze manier sneller in je tuin, zonder dat je plant eraan onderdoor gaat. Herhaal dit zo nodig na paar dagen.
Heb je zaailingen binnen? Dan grijp je beter wel gelijk in. Je kunt de sapzuigers voorzichtig tussen je vingers pletten (ik weet het, blegh en niet erg aardig, maar het werkt) of zet ze onder de douche. Dat laatste werkt ook prima voor binnenplanten!
Om bladluisplagen in de toekomst te voorkomen, zorg je voor sterke planten, een veerkrachtige tuin en (meer) roofinsecten. Een sterke plant maakt zichzelf bijvoorbeeld minder lekker door bitterstoffen aan te maken of feromonen uit te stoten die roofinsecten aantrekken. Een beetje bladluis is dan geen enkel probleem.
Heb je bijvoorbeeld een plant die steeds weer onder zit en er duidelijk onder lijdt, dan is er vaak iets mis mee. De plant staat bijvoorbeeld niet op de goede plek – te dicht op elkaar, op een te vochtige of juist droge bodem, te veel in de wind of in te veel of te weinig zon. Ziekte is ook nog een optie. Een andere reden is verkeerde bemesting. Vooral stikstofrijke bemesting, zoals (koe)mest of bijvoorbeeld heel veel grasmaaisel (vooral bij bloemen of vruchtdragende bomen en struiken, bijvoorbeeld appels) zorgt voor snelle groei van groene delen zoals stengels of loten en bladeren. Dat jonge spul is al lekker mals, en nog eens extra mals als het zo hard groeit dat de plant het niet kan bijbenen met verdedigen.
Al die problemen zorgen voor stress. De plant is zoveel brandjes aan het blussen, dat die een paar mee-eters niet aankan. De bladluizen hebben dat razendsnel door en maken er gebruik van: ze vermeerderen zich en zitten binnen de kortste keren overal. Nieuwe planten zijn daarom ook vaak kwetsbaar – ze moeten wennen aan veranderde omstandigheden. En juist daar is af en toe een gerichte waterstraal heel handig…
Bladluisplagen zijn dus een symptoom! Als een plant steeds weer last heeft, zit er niets anders op dan zijn plaats of de plant zelf te heroverwegen. Of je moet zin hebben om je nauwkeurigheid met een waterslang/waterpistool te oefenen…
Het stomme is: bij sommige planten hebben we zelf hun verweer tegen mee-eters weggekweekt. Botersla bijvoorbeeld maakt geen bitterstoffen aan, omdat wij dat niet lekker vinden. Wat je ook doet, die zullen dus sneller last hebben met bladluizen.
Het beste verweer voor je tuin is dan ook om te werken aan de algemene veerkracht ervan. Een veerkrachtige tuin bevat zoveel leven, en dus concurrentie en predatie, dat een soort minder snel tot een plaag kan uitgroeien. Dat houdt planten sterker – ze worden bijvoorbeeld minder snel ziek – en geeft de bladluizen zelf ook minder kans zich te vermeerderen.
Dat doe je ten eerste door, heel simpel gezegd, variatie te planten – dat trekt variatie! Dus niet één groot bed vol botersla, maar bijvoorbeeld botersla en Oost-Indische kers (een goede afleider van bladluis, overigens), goudsbloemen, bonen, afrikaantjes, peterselie en uien. Dat trekt bovengronds allerlei verschillende insecten – en dus concurrentie en predatie – maar ook ondergronds verschillend bodemleven waardoor de planten sterker staan. Bovendien: als je botersla en botersla naast elkaar zet, gebruiken beide planten ondergronds exact dezelfde ruimte voor hun wortels, exact dezelfde hoeveelheid water en dezelfde voedingsstoffen. Dat maakt de kans dat ze onderling concurreren groter, wat weer meer stress geeft. Met bijvoorbeeld botersla en goudsbloem naast elkaar heb je dat minder.
Dan kun je ook nog kiezen voor sterkere varianten sla. Rucola bijvoorbeeld heeft minder snel last van bladluis, net als rankspinazie en bloedzuring. Dan heb je nog brave hendrik en wilde rucola – beide inheems en enorm sterk. Inheemse planten zijn sowieso vaak sterker, kunnen zich wel verweren zolang ze op hun plek staan, en bovendien trekken ze vaak veel insecten. Waaronder roofinsecten.
Het laatste en meest specifieke advies: maak je tuin (meer) geschikt voor roofinsecten. Vaak als ik van mensen hoor dat ze ruzie hebben met bladluizen, blijkt dat er juist op dat stukje wat ontbreekt. Want roofinsecten, zoals lieveheersbeestjes, sluipwespen en zweefvliegen, hebben niet alleen bladluis nodig, maar ook planten!
Vaak zijn het vooral de larven die bladluis eten. De volwassen insecten (imago’s) eten vaker nectar of stuifmeel. Veel soorten zijn als volwassene zelfs vegetariër! Het probleem is alleen, dat ze vaak kieskeuriger zijn qua planten én dat ze geen lange tong hebben, zoals vlinders en veel bijen. De eerste de beste bloem is dus niet goed genoeg om ze mee te trekken.
Wissel je bloemvormen af, dan heb je dus al grotere kans dat je er een paar tussen hebt zitten die geschikt zijn voor roofinsecten. Vaak zijn dat open bloemen en bloemen waar het nectar en stuifmeel dichtbij de oppervlakte ligt. Vaak hebben ze ook een voorkeur voor inheemse planten.
Een greep uit goede roofinsectenplanten:
Een paar bliksemafleiders (die vaak bladluis hebben zonder er zelf last van te hebben):
Zorg daarnaast voor bodembedekking: in kruipende planten (zoals dovenetels en kruipend zenegroen) en/of een strooisellaag (bijvoorbeeld een laag snoeisel, houtsnippers of blad die de bodem bedekt) leven allerlei roofinsecten. Ze trekken zich daar terug en overwinteren er vaak.
Tot slot: weet je waarom ik juist in deze tijd van het jaar de bladluisvraag vaak krijg?
Juist in het voorjaar worden bladluizen eerder actief dan hun roofinsecten. Ze kruipen dan niet alleen sneller de planten op – vaak nog geholpen door mieren, die hen in de winter in hun warme nest hebben laten verblijven – maar ze beginnen ook gelijk met vermenigvulden. Als het weer een beetje meezit, kan de kolonie in een week tijd exploderen.
Roofinsecten starten wat langzamer op. Van de meeste soorten (zoals sluipwespen en zweefvliegen) zijn het trouwens alleen de larven die bladluis eten, en daarop is het nu nog even wachten. Volwassen lieveheersbeestjes eten al wel wat bladluis, maar ze zijn meer bezig met elkaar: de paring vindt plaats in het voorjaar. Soms zitten ze met meerdere paartjes op 1 plant en zie je ze steeds heen en weer wiebelen. De vrouwtjes leggen eitjes, daar kruipen piepkleine monstertjes uit die voorzichtig aan de bladluizen beginnen. Ze vervellen een paar keer, worden steeds beter in het moorden, en dan … Is het tijd voor de verpopping. Die zie je meestal ook weer terug als een explosie in bladluis, zo rond juni.
Soms is er dus vooral even geduld nodig. Het voordeel voor die roofinsecten is wel, dat als de larven eindelijk uit hun eitjes kruipen, er lekker veel bladluizen te eten zijn. Een nadeel voor ons, maar als je de tuin roofinsect-vriendelijk en veerkrachtiger maakt, zul je er minder last van hebben. En dat doe je dus juist door variatie te planten. Want dan trek je ook een variatie aan roofinsecten en is het dus niet alleen maar wachten op die lieveheersbeestjes, die soms liever romantisch zijn dan bezig met werken 😉
Oproep: Heb jij een vraag?
Stel ‘m hieronder of stuur me een DM op @irisgardenecology op Instagram — misschien behandel ik ‘m in een volgende post.
(Ik kan niet alles beantwoorden, maar ik lees wel alles!)
Wat een mooi voorbeeld hoe alles met elkaar samenhangt. Leuk om te lezen.
Fijn om te horen!