In de categorie ‘Tuindagboek’ schrijf ik over wat me in de tuin is overkomen. Deze keer: de droogte loopt dit voorjaar zo hoog op, dat een vosje (een bijensoort) zo dorstig is dat ze het vocht van mijn handen likt.
Iets meer dan 2 weken geleden, net voor het zou gaan regenen, zuchtte de tuin nog onder de droogte. De perken in de omgeving leken wel in de pan gebakken te zijn, zo bruin zag alles wat normaal groen is eruit, het knisperde zelfs als je het aanraakte. Ik kan me slechts 1 keer eerder herinneren dat we met de tuinslang in de weer moesten om de achtertuin water te geven – de laatste keer was in 2018. Meestal doet alles het prima en de regenton heeft nog wat extra in geval van nood (voor de potplanten, vooral). Dit keer was de regenton alweer een tijdje leeg (wat een moment om juist dan veel te gaan opkweken, zo’n droog voorjaar!), een paar planten dreigden het loodje te leggen en met een open tuinendag in het verschiet, wilde ik die schade toch voorkomen. Dus hadden we net water gegeven, een paar dagen voor ik een dorstige bij vond.
Mijn wasmachine had kuren, dus had ik zojuist een handwas gedaan. Waar een bad al niet goed voor is! Met vochtige handen en een zware mand met druipende kleding liep ik naar beneden, om de was op te hangen in de tuin. De pui stond open. Maar wat waren die katten aan het doen? Onze twee zwart/witte katten, Inigo en Otje, keken gebiologeerd naar iets op de grond. Dus ik zette de was neer en volgde hun blikken.
Een bij. Een vosje, bij nader inzien. Het rood-wolharige beestje kroop over de tegels van het terras alsof het al dagen naar water zocht in de woestijn. Ik joeg snel de katten weg – voor je het weet meppen ze het dier – en plaatste mijn handen op de grond zodat de bij erop kon kruipen. Na enig aarzelen deed ze dat en gelijk, gelíjk kwam haar longetje tevoorschijn en begon ze mijn vochtige hand te likken. Hé, ze is dorstig!
Maar hoe schoon waren mijn handen? Wat als er nog restjes van wasmiddel op zaten? Ik nam het vosje zo snel mogelijk mee naar de vijver. Daar stak ik een vinger in het water en liet een druppel naast haar op mijn hand vallen. Ook die zoog ze gelijk op. Nog eens. En nog eens. Goh, dit duurt veel te lang. Ik verlegde mijn aandacht naar het vogelbadje. Misschien werkte dat… Ik nam het bijtje mee naar het vogelbadje en liet voorzichtig mijn hand erin zakken… toen ze te snel naar de rand bewoog en pardoes ín het badje viel.
Dus ik schepte het spartelende bijtje weer uit het water. Ze leek in orde, maar verfomfraaid nu. Opnieuw. Ik liet mijn hand weer langzaam zakken – hield haar met de andere tegen voor ze dezelfde duik zou maken – en maakte een kopje van mijn hand, zodat het water langzaam de holte tussen mijn duim en handpalm vulde, terwijl het bijtje op het droge bleef.
Gelijk liep ze naar het water, alsof ze wist wat mijn bedoeling was, en dronk tot mijn arm lam werd van de houding.
Natuurlijk was dat het moment dat mijn man thuiskwam. Hij zei hallo en keek enigszins verbaasd de tuin in, naar mij, terwijl ik daar met mijn arm in een rare boog en mijn andere hand in mijn zij ogenschijnlijk op niets sta te wachten. Voor hij iets kan vragen, besluit ik te vertellen wat ik doe: ik heb een dorstige bij gevonden en laat haar drinken en… Mijn man gaat alweer verder. “Ja, zoiets dacht ik al.” Aha, zo normaal is dat hier dus geworden.
Eindelijk kroop het bijtje terug mijn hand op. We stonden in de schaduw van de kamperfoelie en een hazelaar. Misschien wil ze nu zon, bedacht ik me. Dus ik liep met haar het zonnetje in – en opnieuw weet mevrouw zich pardoes van mijn hand te laten vallen. Nog nat van haar duik lukte het duidelijk niet te vliegen, maar een klokje in een pot ving haar op. Daar kroop ze wat rond, gefrustreerd (zo leek het tenminste voor mij), een beetje poetsend aan haar vleugels alsof ze daar pas besefte hoe nat ze was. (Eerst droog, dan nat – wat een leven van extremen heeft zo’n bij!) Uiteindelijk berustte ze zich bovenop een blad. De zon danste tussen de bladeren door, soms wel en soms niet over haar heen.
Ik zag dat ik in mijn haast een stengel van de voorjaarszonnebloem geknakt had. Nou, dacht ik, dan maken we dat die stengel ten goede komt. Ik brak hem geheel af en legde hem bij het bijtje – mevrouw werd meteen druk, inspecteerde de lintbloemen en begon opnieuw gulzig te drinken. Echt, waar laat zo’n klein beestje al dat vocht?
Een kans voor een foto, dacht ik, want hoe vaak zitten bijen nou mooi stil? Dus ik rende naar binnen voor mijn mobiel. Bij terugkomst zat het vosje nog op de bloemen. Ik nam een paar foto’s en wist haar zelfs te filmen:
En toen ik haar bleef filmen, raakte ze weer geïrriteerd. Ik zat in haar zon!
Toen ik dat besefte ging ik snel aan de kant zodat ze zich kon opwarmen. Ze poetste nauwkeurig haar pootjes, lichaam en vleugels en uiteindelijk vloog ze weg.
Ah zo bijzonder! Hopelijk leeft de bij nog lang en gelukkig. Hier redde ik laatst ook een wesp die in het water was gevallen van de zaaibakjes. Normaal blijven ze op het water drijven om te drinken maar nu was de wesp met het achterlijf in het water gezakt. Arm beestje.
Zo genieten, de natuur!
Wat heerlijk om te horen dat je wespen redt!
Ja die hebben ook hun nut! Een paar jaar geleden hadden we veel wespennesten in de tuin. Geen enkele last van gehad. Ook geen enkele druif gegeten (de wespen waren ons voor, er hing zoveel aan… :(). Toen ik op een gegeven moment een heel groot gat in de grond zag op de plek waar een wespennest zat, dacht ik: hoezo ontploffen wespennesten? Maar het bleek een das te zijn geweest die de boel kwam plunderen. Zo leuk! Niet voor de wespen natuurlijk.
Wauw, dat is bijzonder! Ik heb inderdaad ook een wespennest gehad, vlak bij de voordeur. Geen last van gehad, en we hadden heel duidelijk veel minder muggen dat jaar 😉